De geschiedenis van 'n Daam

Appingedam is, naast Groningen, een van de 2 middeleeuwse steden die de provincie Groningen rijk is.

* De Middeleeuwen
* De 15de en 16e eeuw
* De 17de en 18de eeuw
* De 19de en 20ste eeuw
* Het stadsbestuur


De Middeleeuwen (het begin)
Het ontstaan van Appingedam en de precieze ouderdom van het stadje kunnen niet met zekerheid worden aangegeven. Of er vóór het graven van de Delf (het latere Damsterdiep) al bewoning is geweest op de plek waar tegenwoordig Appingedam ligt, is niet duidelijk. De meningen zijn daarover verdeeld. In elk geval verkreeg de plek na het graven van de Delf een gunstige ligging op een kruispunt van waterwegen en een open verbinding met de zee. Hier ontstond zodoende een nederzetting die in korte tijd uitgroeide tot een belangrijk handels- en marktcentrum. In een document uit 1224 is voor het eerst sprake van de plaatsnaam Appingedam. Appingedam werd de hoofdplaats van het Friese gewest Fivelingo. De naam is vermoedelijk afgeleid van de persoonsnaam Abbe of Appe of de familienaam Abbinga/Appinga en betekent dan “dam bij de woonplaats van de mannen van Abbe of Appe”.

Aan de kaden van de Delf werden binnengelopen zeeschepen afgemeerd en losten en laadden schippers hun vracht. Vervolgens werden de goederen opgeslagen en verhandeld. Handel werd gedreven met Noord-Duitsland en het Oostzeegebied, Scandinavië en Westfalen. Bij de Wezertol van Bremen golden gunstige uitzonderingstarieven voor Damster schepen. Appingedam was een belangrijk regionaal marktcentrum.

Appingedam had in de middeleeuwen niet alleen in economisch, maar ook in juridisch en bestuurlijk opzicht een centrumfunctie. De bewoners zetten een eigen bestuursrechterlijke organisatie op en stelden daartoe zogenaamde buurrechters aan. In 1327 werden deze rechtsregels in een vergadering van de Upstalsboom van de Zeven Vrije Frieslanden te Aurich bekrachtigd en vastgelegd in de buurbrief. De buurbrief is in het archief van de gemeente bewaard gebleven.
 

De 15e en 16e eeuw (Belegeringen en plunderingen)
In de 15de en 16de eeuw raakte Appingedam betrokken bij de conflicten tussen de Schieringers en de Vetkopers en later bij de strijd om de heerschappij over de Ommelanden tussen de Saksische hertogen en graaf Edzard van Oost-Friesland. Appingedam heeft verschillende belegeringen moeten doorstaan. Rond 1400 werden de steenhuizen van de hoofdelingen Oomke en Poppe Snelghers die in het stadje waren gelegen door de Groningers verwoest. In 1501 werd de stad opnieuw door de Groningers belegerd maar ontzet door graaf Edzard. In 1514 werd Appingedam ingenomen door Georg van Saksen. De bevolking die voor een deel zijn toevlucht had gezocht in de Nicolaïkerk werd uitgemoord. In 1516 volgden de troepen van Karel van Gelre die tot 1536 de dienst heeft uitgemaakt. In dat jaar vond opnieuw een beleg plaats en werd de stad ingenomen door Karel V. De vermoedelijk rond 1500 aangelegde stadsmuren werden daarna ontmanteld.
Ook de Tachtigjarige oorlog is de stad niet zonder kleerscheuren doorgekomen: in 1590 werd Appingedam geplunderd door de troepen van Willem Lodewijk.

De 17e en 18e eeuw (De republiek) 
Ten tijde van de Republiek was de economische glorietijd van Appingedam al voorbij, en het stapelrecht van de stad Groningen, dat gedurende de gehele periode van kracht bleef, werkte niet mee hier verbetering in te brengen.
Niet alle producten echter vielen onder het stapelrecht: vlas, hennep en koolzaad waren vrij. Bovendien was door de Staten Generaal in 1610 en 1615 bepaald dat in Appingedam gehandeld mocht worden in boter, kaas en vette beesten zonder in Groningen ter stapel te gaan. Appingedam kon zich op die manier handhaven als regionaal centrum van handel en nijverheid.

Er ontstond een tijdelijk een opleving rond 1630, als het Raadhuis gebouwd wordt in renaissancestijl. Het Raadhuis heeft als zodanig tot in de twintigste eeuw dienst heeft gedaan. De benedenverdieping deed dienst als waag.
Het Raadhuis is er nog steeds. Tegenwoordig dient het gebouw alleen nog voor de maandelijkse vergaderingen van de gemeenteraad en voor representatieve doeleinden; o.a. huwelijkssluitingen en exposities.

Ook als onderwijscentrum vervulde de stad een functie. De Latijnse school was oorspronkelijk een kloosterschool die in de 16de na het verdwijnen van het klooster onder het stadsbestuur was gekomen. In 1854 werd de school opgeheven.
Langs het Damsterdiep stonden steen- en pannenbakkerijen, kalkovens en scheepswerven. Wind- en rosmolens zorgden voor het malen van graan en boekweit het persen van olie en het zagen van hout. Bovendien telde de stad maar liefst 6 bierbrouwerijen, 2 jeneverstokerijen, enkele leerlooierijen, weverijen, garentwijnderijen, een zeepziederij, een lijmziederij, een azijnmakerij en een zoutkeet.

Rond 1760 is er opnieuw een opleving als veel gevels, vooral in de Solwerderstraat, worden vernieuwd. Aan het eind van de 18de eeuw worden toch nog altijd ongeveer 50 zeeschepen per jaar bevracht en worden regelmatig vaste beurtdiensten onderhouden op Sneek, Amsterdam en Leer.

De 19e en 20e eeuw
De economische neergang van Appingedam ging in de 19de eeuw door. Na de Tweede Wereldoorlog wordt Appingedam aanvankelijk meer en meer overvleugeld door buurgemeente Delfzijl. Deze plaats ontwikkelt zich in hoog tempo tot de derde havenstad van Nederland en tot één van de belangrijkste industriële centra in het noorden des lands. 

Aan het einde van de 19de eeuw bloeide de Damster economie weer wat op. Appingedam maakte vooral naam met de veemarkten, waarvan de paardenmarkt de belangrijkste was. In1884 kreeg de stad aansluiting op de nieuwe spoorlijn Groningen-Delfzijl. Het vervoer over water nam hierdoor in belangrijkheid af. Aan het begin van de 20ste eeuw ontwikkelde Appingedam zich meer en meer tot het industriële centrum van Fivelingo. In 1870 introduceerde C. Roggenkamp de eerste stoommachine in Appingedam en richtte hij de eerste stoomtimmerfabriek van Nederland op, de 'Molly'. Appingedam kreeg onder andere een zuivelfabriek, een vlasfabriek, een strokartonfabriek en een gasfabriek. De Machinefabriek van Ter Borg & Mensinga kreeg wereldfaam en de metaalgieterij van Jan Brons produceerde de Bronsmotor, een scheepsmotor die over de hele wereld werd verkocht.Op de hoek van de Kniestraat en de Dijkstraat (centrum) staat, als een soort industrieel monument, de reusachtige krukas van zo'n Bronsmotor. Er kwamen nieuwe onderwijsvormen en meer middenstand zodat de stad weer uitgroeide tot het verzorgingscentrum voor de regio.

In 1972 verkrijgt Appingedam het predikaat beschermd stadsgezicht. Daarmee krijgt het gemeentebestuur de juridische en financiële mogelijkheden de in verval geraakte binnenstad weer nieuw leven in te blazen. In hoog tempo worden ambitieuze plannen ontwikkeld om de historische binnenstad te restaureren met behoud van de eigen identiteit. De ingrijpende restauratie van de Damster binnenstad heeft grote gevolgen. Niet alleen wordt het aanzien van de stad verfraaid, ook de middenstand leeft op en de bedrijvigheid neemt toe. Onder het motto "Appingedam, terug in de vaart" onderneemt Appingedam een geslaagde poging toeristen en ondernemers naar de stad te lokken. De vaarrecreatie komt tot ontwikkeling, mede dankzij de openstelling van het Damsterdiep-vaarcircuit. Appingedam heeft de wind weer in de zeilen! Een stad waar het goed "wonen" is in de ruimste betekenis van het woord. Wonen in Appingedam betekent niet alleen wonen in moderne, royale woningen in ruime nieuwbouwwijken of sfeervolle stadsgebieden. Het betekent ook: zeer complete onderwijsvoorzieningen met een gevarieerd winkelaanbod en zeer aantrekkelijke recreatiemogelijkheden, prima wegverbindingen en openbaar vervoer.

Het stadsbestuur
Het stadsbestuur was in handen van het eedgenootschap. Dit college was samengesteld uit 3 of 4 burgemeesters (de al eerder genoemde buurrechters), 2 bouwmeesters, 4 kerkvoogden en 4 armenvoogden. In de 17de eeuw worden hier nog aan toegevoegd 4 schuttenrichters en een aantal kluftmeesters. De burgemeesters stonden aan het hoofd van het bestuur en hadden behalve bestuurlijke ook rechtsprekende bevoegdheden. De bouwmeesters hadden het beheer over de zogenaamde communiteitseigendommen, verpachtten de stadswaag en oefenden toezicht uit op vuursteden en ovens. De bevoegdheden van de schuttenrichters waren o.a. de schouw over wegen en straten, het toezicht op de dijken, en op de maten en gewichten. Ook het beroepen van predikanten behoorde tot de bevoegdheden van het eedgenootschap, evenals andere kerkelijke zaken en onderwijs.

De verkiezing van het eedgenootschap vond plaats door de redger, de pastoor en de eedgenoten zelf.
Het recht om het redgerambt (een rechterlijke functie) te mogen bekleden was verbonden aan grondbezit. In de 16de eeuw was dit recht in handen van de families Ripperda en Houwerda. Later was het in bezit van de stad Groningen. Het rechtsgebied van Appingedam omvatte behalve de stad Appingedam ook Tjamsweer en Opwierde. De damster burgemeesters konden alleen in Appingedam zelf rechtspreken en ook daar hadden ze slechts beperkte bevoegdheden.
Het eedgenootschap vergaderde voor het laatst op 25 februari 1795. Door de burgerij was de dag tevoren een comité revolutionniar gekozen bestaande uit vier burgers. Bovendien werden acht provisionele representanten des volks gekozen die de bestuurstaken onder zich verdeelden.

In 1808, ten tijde van het Koninkrijk Holland, werd een nieuw gemeentebestuur ingesteld dat op 12 november van dat jaar voor eerst vergaderde. De gemeente omvatte toen nog slechts het oude stadsgebied van Appingedam. Bij de gemeentelijke reorganisatie van 1811 werd het gebied uitgebreid met de dorpen Jukwerd, Marsum, Solwerd, Opwierde en Tjamsweer en verkreeg de gemeente zijn huidige omvang. Het gemeentebestuur bestond uit een maire, een adjunct-maire en municipale raden, de voorlopers van de burgemeester, de wethouders en de gemeenteraad.

Gewijzigd: 18-12-2014
Ga 1 pagina terug
Naar bovenPrint deze pagina